Je weg vinden.
Voor je ligt het onbekende, je leert het nooit kennen als je niet gaat.
Til een voet op en zet hem voor de andere, als je in beweging komt ontstaat de weg vanzelf.
Met verlangen als routekaart en je ziel als kompas, weten je voeten waar te gaan.
(A. van Vulpen, 2011)
Passend onderwijs en eenvoud: De leerkracht centraal.
‘Moeten we dan straks alle kinderen zomaar toelaten op school? Er zijn er nu al zoveel met een stoornis bij mij in de klas!’. ‘Is dat straks verplicht? Nou, dan weet ik niet of ik het onderwijs nog wel zo leuk vind. Ik heb toch niet voor het SBO gekozen?’. ‘Mijn klaslokaal is nu al te klein, hoe moet dat straks met als die rolstoelen en andere aangepaste materialen?’. Zo maar een greep uit de reacties die mij ten deel vielen toen ik de module Passend Onderwijs aan een Hogeschool gaf.
En ik snap dat wel. Er zijn nogal wat onderwijsvernieuwingen over het onderwijs uitgestort de afgelopen decennia, die veel tijd, geld en energie gekost hebben, maar verhoudingsgewijs weinig opgeleverd hebben. Zie de bevindingen van de Commissie-Dijsselbloem die, hoewel ze over het voortgezet onderwijs gaan, veelal ook opgaan voor het basisonderwijs.
En nu dus weer Passend Onderwijs…
Hierbij een pleidooi om het invoeren van Passend Onderwijs niet ingewikkelder te maken dan het is. Laat je door het programma niet op de kast jagen, maar ga uit van jouw kracht als school en als leerkracht. Passend onderwijs en eenvoud, dat moet toch mogelijk zijn? Of is dit een Zen-koan van het niveau: Wat is het geluid van één klappende hand? Hieronder zal ik mijn ideeën over hoe Passend onderwijs en eenvoud samen kunnen gaan, uiteen zetten.
Wat er, mijns inziens, aan schort bij het invoeren van Passend onderwijs, is het euvel waar de vorige vernieuwingen ook veelal onder gebukt gingen: Aan de scholen is niets gevraagd. Zoals de Commissie Dijsselbloem het zo mooi verwoordt: Het politiek draagvlak werd bij vernieuwingen belangrijker gevonden dan het draagvlak in het onderwijs.
Nou is er op het uitgangspunt van Passend Onderwijs op zich weinig af te dingen: Het kind moet centraal staan. Dat betekent dat het aanbod moet worden afgestemd op de behoeften van elk kind afzonderlijk. De kern van Passend Onderwijs is het uitbreiden van de kansen op de beste ontwikkeling voor ieder kind . Daar zal iedere rechtgeaarde pedagoog en bevlogen leerkracht het volmondig mee eens zijn. Dat is het probleem dus ook niet. Voor de meeste scholen en leerkrachten is dit uitgangspunt nu al gewoon dagelijkse kost.
Het probleem ligt, m.i., op een heel ander niveau. Een simpel gegeven uit de Pedagogiek vertelt je het volgende: Wat je kinderen voorleeft, is vele malen effectiever dan wat je tegen ze vertelt. Je kunt een kind keer op keer vertellen dat hij zijn jas aan het haakje moet hangen, als je zelf je jas keer op keer zomaar ergens neergooit, wordt het nooit wat met deze stelregel. Als we de gang van zaken rondom Passend Onderwijs nou eens in dit perspectief plaatsen, is de overheid de ouder die tegen zijn ‘onderwijskinderen’, de leerkrachten zegt: Vanaf 2013 moeten jullie allemaal, maakt niet uit wie je bent of wat je doet, hetzelfde doen: Het kind centraal stellen, zodat aan zijn of haar individuele behoeften tegemoet gekomen wordt.
Zo behandelt de overheid zijn leerkrachten dus als ‘eenheidsworst’, terwijl er van ze gevraagd wordt de kinderen in de klas als individu te behandelen. En dan wordt er dus een stapje overgeslagen. Want, heel simpel: Wil je het kind centraal stellen, zul je eerst de leerkracht centraal moeten stellen. Je zult eerst moeten kijken wat de individuele kennis, vaardigheden en ‘speciale behoeften’ van de leerkracht zijn. Want de leerkrachten maken het onderwijs, en daarmee de school. En je kunt iets pas goed overdragen of uitdragen als je het zelf ervaren hebt. Al is het maar even, al is het maar een glimp van weten.
Kortom: Passend onderwijs als een kant- en klaar pakketje in je school (laten) implementeren is m.i. een idee-fixe. Waar we de tijd tot 2013 voor mogen gebruiken is het in kaart brengen van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de school en dus van haar team. Dat is dus niet iets wat de directie, hoe goed ze haar team en school ook kent, in de eenzaamheid van haar kamertje kan doen. En ook niet iets waar een adviseur n.a.v. enkele uren observeren en inlezen op school een constructief en werkbaar idee over kan hebben. Het is iets waar het hele team actief , met hart en ziel, bij betrokken moet zijn. En dan niet vanuit het idee: Alle neuzen dezelfde kant op: Nee, laten alle neuzen vooral niet dezelfde kant op staan! Dan worden er, zoals Surowiecki aangetoond heeft, met elkaar alleen maar steeds grotere fouten gemaakt.
Laten we starten bij het beginpunt: We weten nu nog niet precies hoe we het aan gaan pakken, want zo ver zijn we simpelweg nog niet. Maar er is Passend Onderwijs, en wij gaan kijken hoe we op deze school deze vernieuwing zo Passend mogelijk in kunnen voeren. Daarbij stellen we de leerkracht centraal. Hij of zij is namelijk degene die er straks binnen de school concreet handen en voeten aan moet geven, de spil waar alles om draait. En daarvoor maken we o.a. gebruik van de inzichten van collectieve intelligentie: Iedereen denkt mee, ieders stem is even belangrijk. Dus ook, of misschien zelfs juist, die van de dwarsligger. Zonder dwarsliggers is er immers geen stabiel spoor.
Passend onderwijs: De leerkracht centraal! Of, zoals Parker Palmer het zegt: Goed leraarschap kan niet gereduceerd worden tot techniek, maar vloeit voort uit de identiteit en integriteit van de leraar.
Bronnen:
http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs?ns_campaign=Thema-onderwijs_en_wetenschap&ro_adgrp=Passend_onderwijs&ns_mchannel=sea&ns_source=google&ns_linkname=passend%20onderwijs&ns_fee=0.00, 24-01-2012
http://nl.wikipedia.org/wiki/Parlementair_onderzoek_onderwijsvernieuwingen, 24-01-2012
http://www.ouders.net/school-en-thuis/passend-onderwijs.html, 24-01-2012
http://nl.wikipedia.org/wiki/Wijsheid_van_de_massa , 24-01-2012 (voor Nederlandse uitgave: http://www.uitgeverijcontact.nl/b-436-twee_weten_meer_dan_een.html )
Russst…
Op een vrijdagmiddag, enkele jaren geleden, deed ik de ADV-vervanging voor groep 7/8. Ik had die ochtend aan mijn IB-taken gewerkt en was daar, in tegenstelling tot mijn planning, nog lang niet klaar mee. In mijn hoofd had ik dan ook weinig ruimte voor een onstuimige groep in een wat te klein lokaal tegen het einde van het jaar. Mijn plan was om ze na de begrijpend lezen les aan een tekenopdracht te laten werken, zodat ik ondertussen nog wat formulieren in kon vullen. Kortom: iedereen snel aan het werk, dan kon ik ook mijn ding doen.
Ik ging staan om de aandacht mijn kant op te trekken, zei alvast wat teneinde nog meer aandacht mijn kant op te brengen. Er was nog steeds veel onrust, dus noemde ik enkele namen en keek deze en gene aan. De rust keerde enigszins terug en om de laatsten tot stilte te manen siste ik zachtjes: Sssst…
Ik haalde net adem om het programma voor die middag toe te lichten toen Mark, een van de gangmakers, direct daaroverheen door de groep riep: Jongens, pas op, de juf loopt leeg!!!, en vol bombarie onder zijn tafel dook.
Nou goed, daar sta je dan. Iedereen plat van het lachen onder en over de tafels: Weg rust. Lachend (het was wel een goede grap) en ietwat gegeneerd (maar ten koste van mij) keek ik eens om mij heen naar de joelende menigte voor mijn ogen. Goed, dacht ik, dat was een iets te ambitieus plan om vandaag met één oog deze groep in de gaten te houden, en met het andere de formulieren door te lezen. Hier waren duidelijk minimaal twee ogen en ruim voldoende aandacht nodig.
Terugkijkend denk ik: Geen wonder dat de start van de les zo onrustig was. Ik kwam al enigszins gestressed binnen met een hoofd vol andere zaken die ik nog snel snel af wilde ronden. Ik was er niet voor de kinderen (Wat dat betreft had Mark gelijk met zijn opmerking ‘de juf loopt leeg’, want de juf was ook helemaal niet aanwezig), hoe kon ik dan wel verwachten dat de kinderen aandacht voor mij hadden? Nadat deze spanning ontladen was door de lachuitbarsting, en ik mijn plan om te multitasken terzijde had geschoven, was er plaats voor wederzijdse aandacht. Zo werd het toch nog een hele gezellige (en ietwat rommelige) middag.
Suffe kip…
Mijn zoontje Mart (5) komt grinnikend thuis: “De juf is een suffe kip”, vertrouwt hij mij toe. Als ik naar de reden van deze ‘ere’titel vraag, legt hij het me welwillend uit: “Nou, de juf liep met een heleboel verfpotjes, zo, in haar armen. En dat was veels teveel, dus toen liet ze ze allemaal, alle vijf!, vallen. En toen lagen er twee hele dikke klodders bruine verf op de vloer. Toen heb ik tegen haar gezegd: Juf, je moet het doen zoals wij dat altijd doen. Zo (hij kromt zijn handen alsof hij er iets in heeft staan), met twee handen, en dan één voor één.”
“En, heeft ze dat toen gedaan?” Vraag ik. “Ja”, knikt hij enthousiast, “En toen ging het wel goed!”
Die juf toch, het is zo simpel dat zelfs een kind van vijf het je kan vertellen: Doe de dingen één voor één, dan stapelt het zich niet op en valt het niet uit je handen. Een eenvoudig inzicht, nu de uitvoering nog…
